MIRJAM KUITENBROUWER

Een verlangen naar gisteren (achteruitschrijven)

tekst geschreven op uitnodiging van de GBK in reactie op de catalogustekst van Karin Feenstra, curator van de tentoonstelling ‘Het Grote Verlangen’, Biënnale Gelderland 1996

Over verlangen
Hoe groter iets voorgesteld wordt, hoe ideëeler het klinkt en daardoor onwaarschijnlijk. Kan verlangen een maat hebben? Heel klein zijn? Uit bescheidenheid misschien, en daarmee zeker oprecht. Hoe groter, hoe meer gezwollen en aldus gedoemd tot vergeefsheid. Een verlangen zonder bijwoord is mij te onbestemd. Het zal ergens op uit moeten zijn. Het gaat niet om de maat maar om de richting die ’t heeft. Waar je het verlangen op richt is het mikpunt: iets wat je wilt bereiken dat schijnbaar buiten je bereik ligt, of misschien achterop is geraakt; vergleden in de tijd.
Een jaar of zeven geleden heb ik me al eens gebogen over het woord: ver-langen. Het moest wel iets zijn dat lang duurde en ver-weg-was. Onder het eerste lemma in Van Dale werd het als werkwoord uitgelegd: langer maken, uitstellen, lang vallen. Het verlangen in zijn algemeenheid is een vergeefs streven; misschien het uitstel van het onvindbare te noemen. Hét verlangen is geen voorwerp maar een voertuig.
Met de benen in een paar knellende miniatuur-zevenmijlslaarzen van Klein Duimpje gestoken op expeditie: voortdurend te grote stappen nemend om een gevoel van globaal overzicht te behouden en struikelend over platgetreden paden omdat de blik in de meest onverwachte details vasthaakt en zich verstrikt. De laarzen tillen de reiziger (kunstenaar) over de afstand van uitgangs- naar eindpunt heen waar als hij over zijn schouder omkijkt plots het bordje ‘start’ in de grond is geslagen. Onderweg wat indrukken gesprokkeld om de honger te stillen, en dan de poging ze in elkaar te vlechten tot een hechte structuur (een schilderij) om daarop even flink de benen te strekken en heel kort de triomfantelijke sensatie te beleven boven op de verwezenlijking van het verlangen naar eenheid te zijn geklommen dat slechts de tijdelijke inlossing blijkt te zijn van de wens naar het weten.

Over vooruitgang
‘Is er nog vooruitgang geboekt?’ Alsof het winst betreft. Vooruitgang is een loos begrip; liever spreek ik van ‘verdergang’. In een voorwaarts omzien zo nu en dan de balans opmaken.

Over vrijheid en zelfcensuur
Zelfcensuur: dat is inbreuk op je eigen vrijheid plegen. Zelfcensuur is mij vreemd. Vrijheid is een verworvenheid die een zelfverkozen afzondering (isolement) toestaat.

Over Sontag’s decenniumdenken
‘Ieder is zijn tijd. Niemand wordt opgenomen in de uren die geschiedenis en staande klokken, nieuwsberichten, dag en nacht en jaarlijkse vakanties hem zo vlijtig voorgerekend hebben. Ieder is zijn tijd en heeft geen tijd, want niemand heeft zichzelf. Ieder is zijn tijd die hij niet kent omdat zijn vlees, zijn voelen en zijn denken vloeibaar zijn en water nooit zichzelf betrappen kan. Zo is de mens bewusteloos in heel de helderheid van zijn gedachtenwereld opgesloten.’1 Omdat ik op de dag zelf de tijd niet vind aan- en op te tekenen wat zich zoal heeft voorgedaan door de dag heen, stel ik die reactie vaak uit tot de volgende dag: zo beland ik steeds bij gisteren en graaf ik in het gisteren van de dag daarvoor. Dat is een vorm van het verlangzamen van de ervaring. (Ook een verlangen).
‘Paradoxaal genoeg heb je het meest eigene nooit helemaal zelf in handen.’2 Je zit er te dicht op.
‘Hoe komt iemand achter de logica van zijn eigen gevoel? Net zo moeizaam als achter welke waarheid dan ook. Dag en nacht moet hij zijn geheugen en zijn reactievermogen in de peiling houden om te kijken of ze misschien een hint geven. Dat gebeurt altijd op onvoorziene momenten.’3 Meestal hoop ik juist ‘het eigene’ dat me met in woorden geformuleerde gedachten voortdurend ontglipt achteraf te lezen uit mijn eigen werk door ’t na korte of langere tijd terug te zien en me er als een toerist aan te laven. Een hoorcollege via de ogen. En na afloop jezelf even een hand geven. Alsof ik even met z’n tweeën ben. Een verstandhouding die ontstaat tussen gedachte en geheugen. Er is een inzicht ontstaan dat zich openbaart als een gedachte die is opgebouwd uit een beeld: woordeloos en toch zonder te zwijgen (voor ieder een ander; ik wil niemand iets opdringen noch voorkauwen.).
Er is altijd het verlangen iets te zien waar ik mezelf in terugvind. Dat klinkt vreemd, maar is van alledag, het is zoiets als een toekomstige herinnering bezoeken. Die herkenning zoek ik dan ook tevens buiten mezelf, buiten mijn eigen werk: in het werk van anderen, in boeken en aanverwanten, soms in vrienden.

Over de waarheid als een koe
Voorafgaand aan de Huizingalezing van Susan Sontag waarnaar Karin Feenstra in haar tekst verwijst verscheen in de krant een artikel over de melancholie van Sontag. Er wordt een opvatting in aangehaald die zich recht tegenover Hanlo’s waarheid als een koe stelt: ‘De grenzen vallen weg, tussen de verschillende kunstvormen, maar ook tussen de kunst en het leven; de kunstenaar is zelf een kunstwerk en een kunstwerk ontleent zijn geloofwaardigheid aan de plaats ervan in de individuele ervaring. Het is de nooit toereikende, nooit voltooide uitdrukking van een persoonlijke totaliteit. Daarom is een kunstwerk nooit af en altijd duister, nooit compleet te begrijpen of te duiden: het heeft een surplus aan betekenissen.’4 Hanlo en Sontag spreken beide over de vorm en inhoud van het kunstwerk. Hanlo‘s citaat bracht ik in tijdens een discussie ‘Over de vormeloosheid van de inhoud’ in De Gele Rijder, juist omdat ik me niet kon vinden in het voorstel dat hij deed (dat de inhoud die de toeschouwer onttrekt aan de vorm zou moeten samenvallen met de intentie van de kunstenaar). De kunstenaar valt misschien samen met het werk dat hij maakt in het moment van het maken, daarná mag het werk als een afgeworpen huid door de toeschouwer naar eigen inzicht gedetermineerd worden.
En dat is juist wat ik herkende in het tekstfragment van Owen Griffith & Michel Sauer en later associeerde met het werk van Marcel Doorduin (in DGR #1): ‘De kunstenaar probeert voortdurend om iets te vinden dat op een en hetzelfde ogenblik zowel het boek en de wereld is als datgene dat tussen die twee dingen bemiddelt. (...) Het object begint daar waar alles samenkomt’.5

Mirjam Kuitenbrouwer, september 1996

noten:
1. Leonard Nolens, Alle tijd van de wereld, 1979, Elsevier Manteau, Brussel/Amsterdam, p.18
2. Connie Palmen, Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates, 1992, Prometheus, Amsterdam, p. 25
3. Charlotte Mutsaers, Kersebloed, 1990, Meulenhoff, Amsterdam, p. 110
4. Willem Otterspeer, De melancholie van Susan Sontag, NRC Handelsblad, 01 12 1989
5. Dietsche Warande & Belfort, nr. 2 / april 1994, p. 179
 

pp. 6-10 exhibition catalogue

Het Grote Verlangen, Biënnale Gelderland 1996

Nijmeegs Museum Commanderie van Sint-Jan, Nijmegen / Museum Henriëtte Polak, Zutphen / Museum voor Moderne Kunst Arnhem / Van Reekum Museum Apeldoorn

19 10 – 1 12 1996
 

A&A

Jaap Kroneman

Anya Janssen

Marten Hendriks

Rosemin Hendriks

Batia Süter

Mynke Buskens

Hester Oerlemans

Erik Buijs

Pieter van Evert

Bart Dijkman

Dan Oki

Soheila Najand

Ada Dispa

Peter Otto

Wouter van Riessen

Rinke Nijburg

Mirjam Kuitenbrouwer

Wilma Sommers

Mark Outjers

Jeroen Eisinga

Ad Gerritsen

Jeroen Melkert

Hans Eykelboom

Marcel Doorduin

Rob Sweere

 

curator: Karin Fenstra

back to previous page