MIRJAM KUITENBROUWER

Toeval is per ongeluk voorbestemd

Over het lot van het toeval
 

Toeval en ongeluk houden mij niet bezig. Toch schijnt dat zo te zijn. Toeval en ongeluk overkomen mij buiten mijn wil om. Maar wat me toe valt is niet zondermeer ‘toeval’. Wat me niet gelukt, brengt mij nog geen ongeluk. Wat toeval en ongeluk gemeen hebben is dat ze beide ongevraagd optreden als coördinatoren van gebeurtenissen. Voortdurend beïnvloeden ze de interpretatie van die gebeurtenissen. Toeval treedt altijd plotseling op. Het slaat in als bliksem; in een flits verwondert het ’t slachtoffer. Geluk is een effect, dat je overkomt uit eigen beweging; wie streeft nu het ongeluk na…?

De vrouw die de broer van mijn vader trouwde, werd mijn tante toen ik geboren werd. Ze droeg dezelfde voornaam als mijn moeder, en kreeg bij de gelegenheid van haar huwelijk dezelfde achternaam erachteraan. Nu zijn mijn moeder en mijn tante schoonzusjes; ze zijn naar elkaar vernoemd. Naamgenoten in één familie, maar niet bloedverwant. Is dat toeval?

Die tante kon, als ze uit Jutphaas naar Nijmegen overkwam, uitvoerig verslag doen van haar belevenissen en onderbrak die meermaals met de vraag ‘… en wat wil het geval?’ Van de verhalen zelf kan ik me nauwelijks iets meer herinneren, maar de bezetenheid waarmee ze die uitdroeg, met steeds die bezwerende tussenzin, intrigeerde me. Wat haar was overkomen leek haar letterlijk toe te vallen. De gebeurtenissen hadden haar in de hand. Ze waren vastberaden; het geval wilde steeds weer iets. Het bracht haar vaak in ongelukkige situaties. Dat weet ik nog wel. Het liep nooit goed af. Of het nu in haar werk was, op vakantie met de caravan, het contact met de buren, … en wat wil het geval?

Toeval treft het individu. Valt minder op in groot gezelschap. Wie het toeval als toeval kan herkennen is degene die de schakel vormt in de keten van gebeurtenissen waar het lot toesloeg. Diegene ben je meestal zelf. Het zijn jóuw lotgevallen. (Waar je je al of niet bij neer zult leggen.)

Toeval bestaat uit ogenschijnlijk incidentele gebeurtenissen. Diverse incidenten die moeilijk voor toevalligheden kunnen doorgaan maken je juist attent op het toeval. Dat is een methode om het toeval te ontmaskeren: de logica erin te vinden. ‘Want het is onzin aan te nemen dat het eindeloze leed waarvan de wereld vol is, en dat voortkomt uit de ellende die kenmerkend is voor het leven, geen doel zou hebben en puur toevallig zou zijn. […] Ieder ongeluk lijkt weliswaar een uitzondering te zijn, maar het ongeluk in het algemeen is de regel.’: in die woorden benadrukte Arthur Schopenhauer (in Er is geen vrouw die deugt, De Arbeiderspers, 1975, p. 28) zijn pessimisme.

Het toeval wordt bestuurd door het lot. Zo worden de dingen die hun loop hebben ons noodlottig, – of brengen onverwacht geluk. De beschikking van het lot is niet te rechtvaardigen. Het komt zoals het komt. Je wilt een keuze kunnen maken; tenslotte beschik je over een eigen wil. Díe kun je begrijpen. (Een wilsbeschikking is een testament. Dan is het leed al geleden, de –laatste– wil is met de dood bekocht.)

‘Ik heb het leven bij zijn lurven’, zei J.J. Voskuil triomfantelijk in een krantekop (NRC Handelsblad, 01 03 1996). Hij heeft ’t door: hoe hij door het schrijven tot zelfverheldering komt. Niet in de greep van het leven te liggen, maar het zelf te (be-)grijpen. De een cultiveert die orde sterker dan de ander. Toch wordt de kwaliteit van leven er niet meer of minder van, het ongeluk daarin verandert evenmin.

‘Dit hier zijn mijn gedachten, waarmee ik niet bepaalde dingen tracht te verklaren, maar mijzelf te toonen: zij zullen mij waarschijnlijk eens bekend zijn, of zijn dat eertijds geweest, al naar het toeval mij op die plaatsen heeft kunnen voeren, waar ze opgehelderd waren. Maar ik herinner mij daarvan niets meer.’ schrijft Michel de Montaigne in zijn essay ‘Over boeken’ omstreeks de jaren zeventig van de zestiende eeuw. Alles wat je op je weg zult vinden is er stiekem neergelegd door de geest van het toeval, hij zorgt dat je er over onvoorspelbare wegen, zijpaden, ooit op stuit. Zoals het uitkomt. Daar beslissen je drijfveren over. Die worden wellicht ook door het toeval gestuurd. Voor chronologie hoef je ook geen moeite te doen. Iedere volg-orde is een chronologische volgorde. ‘Slechts het toeval beveelt de volgorde in mijn geschrift. Al naar mijn gedachten mij in de zin komen, bouw ik ze op; nu eens verdringen zij zich bij hoopen, dan weer komen zij traag één voor één. […]’, vervolgt Montaigne – in de vertaling van Koos Schuur uit 1945 (met handkracht gedrukt door de vijf ringen in Amsterdam, vermeldt het colophon). In een integrale Nederlandse vertaling van zijn Essays uit 1993 waar ik mij december ’96 van in het bezit heb gesteld, staat ’t er zo: ‘Ik heb geen andere sergeant-majoor om mijn onderdelen in gelid op te stellen dan het toeval. […] Ik laat mij gaan zoals ik blijk te zijn.’ (p. 477)

In een poging het idee van ‘de vrijheid van de wil’ te onderzoeken schrijft Arthur Schopenhauer in 1839 een verhandeling waarin hij ondermeer te rade gaat bij de Engelse schrijver Thomas Hobbes, die over de vrije oorzaak had nagedacht: ‘Niets begint uit zichzelf – alles begint door de inwerking van een of andere oorzaak buiten hem. Dus wanneer iemand opeens iets begeert of wil, wat hij kort tevoren begeerde noch wou, dan is de oorzaak van die wil niet de wil zelf, maar iets anders, waar hij geen invloed op heeft.’ […] ‘Elke gebeurtenis, hoe toevallig ze ook moge lijken, of hoe vrijwillig ze ook moge zijn, komt noodzakelijk tot stand.’ (De vrijheid van de wil, Arthur Schopenhauer, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 1989, p. 83-84) Maar een vrije wil is noodzakelijk om jezelf niet aan het toeval uit te leveren. Een bestaansvoorwaarde.

Misschien wordt de vrije wil wel ingegeven door intuïtie: die is niet strijdig met zelfbeschikking. Intuïtie is een overtuiging die in jezelf ontstaat, en niet door een invloed van buitenaf veroorzaakt wordt. Meer nog gaat het om het verschil tussen keuze en toeval in je leven; of je de kans of de keuze krijgt tot een mogelijkheid. De schilder J.C.J. van der Heyden (1928) vertelde in een lezing (op uitnodiging van kunstenaarsorganisatie W139, 12 10 1990) dat hij meer waarde hecht aan zijn keuze dan aan het toeval, omdat het toeval hem van pas moet komen; anders gebruikt hij het niet. En er is altijd meer toeval dan hij gebruiken kan. In dat zelfde jaar verscheen in het cultureel supplement van de NRC (27 07) een weergave van een gesprek dat hij met Marianne Vermeijden had gevoerd over het probleem van tijdgebrek – “Als u straks weggaat kan ik nog maar van vier tot zeven vanavond op mijn atelier zitten. Ik heb geen tijd meer om de tijd te hebben”– en het ‘veelheidskijken’ dat hij dientengevolge beoefent: heel veel heel snel op te nemen. ‘De verwerking van die informatie is een activiteit die niet wacht op gunstige omstandigheden of een bewuste organisatie. Ik hoef die ogenblikken niet achterna te zitten, ze vallen me toe.’ Dat is dus het lot van zijn ontvankelijkheid. Het geziene passeert de gedachten wanneer het als ‘een wisselwerking’ de draad ervan op het spoor komt – of het juist weer erop zet. Het toevallen van zulke momenten stuurt het handelen.

Toeval in de kunst is een keuze. Hans en Sophie Arp maakten dat tot een eigen wet, ze wilden hun voorkeuren uitvlakken om het natuurlijke ontstaan van schoonheid niet te belemmeren. Uit vrije wil verkoos Arp het toeval. De Franse schrijfster Claire Goll kwam bij hen op bezoek en schreef daarover in haar memoires: ‘Deze aandoenlijke afwijzing van het ‘ik’ stelde Arp in staat een van de belangwekkendste ontdekkingen van de eeuw te doen: het toeval. Toen hij eens een groot aantal tekeningen had gemaakt koos hij er een paar uit die hij wilde vernietigen. Hij pakte het eerste blad, verscheurde het zorgvuldig en gooide de snippers op de grond. Toen hij naar beneden keek zag hij opeens dat de flarden gerangschikt lagen op een manier die de enige juiste leek. Het toeval had zijn werk beter gedaan dan de vakman. Arp plakte de stukken op, precies zoals ze op de grond hadden gelegen en noemde het resultaat: Selon les lois du hasard, volgens de wetten van het toeval. […] ‘We weten teveel’, zei hij altijd weer.’ (Privé-domein 44, De Arbeiderspers, 1989)

Het toeval assisteert me als ik werk. Daar kan ik niet omheen. Voor het overige houdt ’t me niet bezig. Hoe associaties –die ik bijna dwangmatig probeer te bestieren– een vlucht kunnen nemen, reken ik niet tot het toeval. Een associatie is tenslotte een organisatie van onwillekeurige bewustzijnsinhouden, ik ben voorzitster van mijn eigen vereniging om het zo te zeggen. De orde in m’n omgeving in bedwang te houden ter compensatie van de associatieve warboel in mijn hoofd, dat kost me al moeite genoeg. De mensen die het toeval daarin hoogtij laten vieren, daar hoor ik toevallig nou net niet bij…

Mirjam Kuitenbrouwer, maart 1997

 

DGR #5, Over toeval en ongeluk, maart 1997, pp. 11-16

Kwartaaltijdschrift tentoonstellingsruimte De Gele Rijder, Arnhem

back to previous page