MIRJAM KUITENBROUWER

Situatie gewijzigd

Arnhem > < Berlijn

reisverslag in tekst en polaroids

 

Arnhem > Berlijn

 

20 06 98

Vanochtend ging ik naar bed. Tegen half vijf. Ik schrok van de vogels buiten. Hoorde in de keuken ineens de merels en de mussen hun zang inzetten. Achter het gordijn werd het al licht.

Heel snel ben ik gaan douchen en slapen. Ik lag nog geen vijf minuten in bed en de merels verstomden. Het gekwetter was klaar. Ik sliep in de schemer van de komende ochtend tot acht uur. Diep en moe en opgelucht.

Voor de schuifdeuren mijn uitrusting voor vertrek klaargelegd. Rode rugzak, bruine koffer, grijze tekenkoker. Alles voor twee dagen.

Op de fiets passeer ik nog geen dertig meter van huis het gele verkeersbord met het magische opschrift ‘situatie gewijzigd’ dat er sinds een week of wat ineens is. Geen tijd voor een polaroid van die situatie; het bord aan de lantaarnpaal, de aanwijzing zonder verklaring. Al wil en vergeet ik de foto steeds weer. Het bord blijft, ik vertrek. Met de binnenlandse sneltrein richting Zwolle twaalf na negen van spoor 3, centraal station Arnhem.

9.49 uur
De muziek wisselt; Hollandse hoempa. Carnaval zou ik denken, maar het is WK-muziek, de zilvervloot – nu herken ik het. Hiervoor Barbra Streisand en daarvoor een nietszeggende supermarktdisco die naar het leek de hele ochtend al speelde toen ik binnenkwam.

Stationsrestauratie Deventer. Drie kwartier hier te zitten. Wachtend op mijn overstap. Het is meer dan werkelijk: zo ongewoon zijn de klandizie en de bediening bij elkaar. Er komen weinig mensen binnen. Toch stroomt het langzaam vol. Mijn koffie mocht ik niet aan de bar bestellen. Dan moest ik ’m buiten opdrinken. De serveerster zou mij komen bedienen wanneer ik mij aan een tafeltje zou zetten. Zonder de officiële bestelling werd een dienblaadje met daarop een kopje koffie, Lotus-koekje, suikerzakje (zo’n staafvormig) en een melkkannetje vanaf de tafelrand op mij toegeschoven, precies middenvoor. ‘Tweeguldenvijfenzeventig’, dat was haar tekst. Bij iedereen sprak ze die uit in de buurt van de tafel, niet tot de klant, en liep gelijk door zonder te wachten. Niet terug, maar helemaal rond. Ik legde het bedrag gepast op tafel en het verdween wat later met eenzelfde schuivende beweging in een handomdraai in haar schort.

Ik zit niet aan het raam. Op het vrije tafeltje aan het raam staat een emmer met sop en huishoudhandschoenen over de rand. Ik ben ertegenover gaan zitten, rechts van het midden. Het is een langwerpige restauratieruimte. Vier rijen tafeltjes met middenberm. Lage glazen afscheiding met ‘groen’ (plantjes of plastic). Een entree aan beide perrons: een halletje in glanzend hout dat uitkomt op een dwarse hal die de dienstingang van de voorgelegen snackbar met de wachtruimte hier verbindt. Alle deuren staan open. Voor ik hier ging zitten ben ik daardoor de ruimte en het perron overgestoken. Meer mensen doen dat. Ze kijken links, rechts, links: net als op straat, en steken over. Of lopen in, voor een consumptie.

Er zitten een vrouw en een oudere vrouw aan het tafeltje achter dat met de emmer bij het raam langs perron 3. Te wachten op hun bestelling. Moeder en dochter denk ik. Ze vertonen meer gelijkenis dan verschil. Het verschil is de leeftijd, hun haarkleur. De oudere vrouw heeft het zwart geverfd. De andere draagt het donkerbruin, haar eigen kleur denk ik. Beide zijn opgemaakt: mascara, rouge, te hard. Ze hebben nog niet gesproken. Vanaf het moment dat hun koffie met appelbroodje in tweevoud kwam heb ik ze zien eten. Met mes en vork. Servet op schoot. Heel geconcentreerd. Maar ook afwezig. De onopgegeten helft van de dochter werd zwijgend door de moeder opgepeuzeld. Ze lijkt sprekend op een personage uit de Benny-Hill-show. Klein priemend gezicht, zwarte kraalogen. Een beetje krom gegroeid zit ze over het bordje inelkaargedoken aan het raam.

Een man maakt zijn entree. Hij komt van links op. Lijkt aanvankelijk een NS-medewerker. Dat zijn zijn kleuren, zijn kleding; een uniform. Kobalt blauw colbert, kanariegeel overhemd en een kobaltblauwe das met fantastische paaseieren in verschillende maten in metallic kleuren daarover verspreid. Op zijn hoofd een zwarte glimmende pruik die hij voorzichtig bevoelt als hij gaat zitten, aan het eerste tafeltje, meteen om de hoek van de ingang. Hij rookt een knalgele sigaret met gouden mondstuk. Hij bestelt. Zijn scheiding zit in verhouding tot zijn gezicht aan de verkeerde kant. Het is zo’n playmobiel-dopje, dat haar. Hele gladde lokken, zo groot en plat dat ik ze bijna kan tellen. Ik moet me beheersen niet te lang te kijken. Hij blijft zijn haarstuk betasten, steekt nog een sigaret op en een vinger voor een tweede koffie.

Barbra Streisand draait weer. De oudere vrouw draagt witte wollen sokken in haar zwarte sandalen. De schoenen hebben een grote glimmende neus en brede hoge hakken, ook hoogglans. Playmobiel stapt op. De stoptrein naar Zwolle loopt binnen op spoor 4, – de perronzijde van zijn tafelrij achter de middenberm.

Een luidruchtig damesgezelschap heeft zich aan die kant druppelsgewijs verzameld. Leeftijd veertig tot zestig stelt zich stijfjes aan elkaar voor. Iedereen koffie met een koekje op een dienblaadje. De supermarktdisco speelt nu. Zonder die tijdloze atmosfeer van zoëven: het wezenloze is verdwenen door de drukte. Moeder en dochter stappen op. Achter elkaar vormen ze een kleine rij, zo lopen ze rechts perron 3 op.

Ik zie omhoog. Waar ik het plafond verwacht is een verhoogde kap op het gebouwtje geplaatst. Rondom geruite ramen met zes vakjes. Twee breed, drie hoog. Vier naast elkaar op de kop. Daarop het dak. Gietijzer met plaatmateriaal in een prachtig zwaar blauw. Ik maak een polaroid.

Achter de restauratie ontdek ik een wachtkamer ‘derde klasse’. Daarachter een lang aan weerszijden open overdekt perron, bijna twee keer de lengte van de koffiekamer. Ook hier een verhoogde kap. Twee rode deuren op het eind eronder. Een tweede foto, gehaast: de trein is in aantocht, en de cassette in mijn camera leeg. De IR 2343 Havelsee met Bistro Café aan boord staat klaar. Van Schiphol gekomen, rijdt rechtstreeks door tot Berlijn. Ik stap in. Met de twee zwijgende appelbroodjesvrouwen.

11.03 uur
Station Hengelo.

Hier is alles geel. In de overkapping twee smalle stroken geel gebobbeld glas tussen het blanke. Bewegwijzering op gele ondergrond. Voor mijn raam een zenuwachtige NS-medewerker in een bleekgeel overhemd. Ik kijk over zijn schouder. Hij kijkt mij aan. Schuin achter hem een man met kind op de arm in een trapgat afdalend. Ze zijn samen oker-oranje-geel gekleed. In Deventer stak iemand de entree recht over van de restauratie waar ik verbleef. Ook die kleuren. De wandbekleding van het treininterieur waar de ruit waardoor ik zie in is gevat in een lichtgrijze rubberband is ook al geel. Het is een geel dat wel erg okerig is tegenover dat harde Hollandse van de NS. Nu de trein weer rijdt lijkt het zijn eigen geel te hervinden. Er staat niets meer tegenover. Geen contrast.

11.16 uur
Witte koeien. Een stuk of zes dicht op elkaar, staand en liggend in de wei, groen. De zon schijnt, zomer.

11.20 uur
Over de grens. Bad Bentheim. Hier is alles blauw en wit. De witte borden zijn blauw omrand. Een huis langs het spoor lichtblauw. Twee uitgerangeerde containerwagens. Blauw met wit opschrift.

11.30 uur
Rode locomotief, groot langwerpig gevaarte met in het midden een iets verhoogde en verbreedde cabine voor de machinist staat ineens langs het perron rechts. Ik hoorde een harde fluit die klonk als stoom uit die richting. Op het geluid keek ik uit het raam. Zou dat kunnen: een diesellocomotief met stoomfluit?

11.37 uur
De eerste man met bier loopt door het gangpad. Het hoge gouden blikje houdt hij in zijn hand kort voor zich uit, hij loopt erachteraan. Altijd bierende mannen aan boord in Duitse treinen, ik heb het nog niet anders meegemaakt.

11.40 uur
De boerderijen hier zijn uit een veel roder baksteen opgetrokken dan in Nederland. Bijna zo rood als de pannen op het dak. Vormen mooie formaties in het groene land. Net als de koeien een dicht gegroepeerd aantal massa’s samengesmolten in een ongelijkmatige kleurklomp.

11.45 uur
Rheine. Moeder en dochter zijn uitgestapt. Ze lopen onder mijn raam voorbij, pratend. Ver achter het raam in een hoog spoorwegwachtershuis staat al enige tijd een man roerloos achter het raam voor zich uit te staren. Handen op de rug, dikke gebolde buik in een licht overhemd, ook voor zich uit.

11.50 uur
Er is (nog) veel te zien vandaag. Dat merk ik nu al. Gebouwen, industrie, reizigers, landschap. Plaatsen waar veel mensen werkzaam zijn zien er zo verlaten uit. Staan plompverloren in weidse velden. Geen wegen te bekennen.

Een dubbele loods, niet ver van elkaar twee keer hetzelfde gebouw. De hele voorgevel een open rechthoek, breed donker gat. Helemaal leeg is de hal voor zover ik erin kan zien. In de achterwand een regelmatig raster van kleine vierkante lichtpuntjes: een door raampjes geperforeerde gevel. Boven de ingang van de linker loods aan de spoorzijde over de hele breedte ruim gespatieerd de bedrijfsnaam in forse letters: e i s h e n b u s h. Op het puntvormig dak in de lengte-as staan ze ook: mooie zwaar verdikte hoekige letters met afgeronde contouren.

Zodra de trein weer rijdt reizen we ook. Klinkt het zo. De rails, de luchtdrukgeluiden, de schokdempers, snerpende luchtsuizingen langs het open raam.

Kort na Bad Bentheim zag ik een groot gebouw links uit het raam, drie, vier verdiepingen hoog, in een soort Duitse Amsterdamse School-stijl. Massa’s kleine liggende ruitjes in stroken over de gevel, onderbroken door brede baksteenvlakken. Alle ruitjes waren duidelijk bol. Boller dan lenzen. Een glaswand zoals die me voor ogen staat in het te bouwen observatorium.

11.51 uur
Iedere keer als ik denk ‘nu even niets dan gewoon zitten’ – de tweede man met pils passeert zojuist – en ik kijk op, is er weer iets, een opmerkelijk uitzicht.

Bruine loodsen vormen de omtrek van een grijsbruine betonnen binnenplaats, vol met grote knaloranje opleggers, vrachtauto’s met losse laadbakken, kriskras verspreid.

Opmerkelijk dat ik telkens zulke kleuruitsneden zie. Alles is geselecteerd op kleur deze dag. In elk beeld dat ik opneem is dat consequent aanwezig. Wonderlijk. En erg mooi.

12.00 uur
Weer een bierman.

12.26 uur
En een frisdrankjongen. Met blikje.

Buiten: een parachutist, zojuist gesprongen uit het vliegtuigje dat er nog kort boven vliegt. Ik kijk op uit mijn vrijdagkrant en zie dat. Precies het moment na de sprong, de parachute ontrolt zich. De baleinen spannen. Het poppetje eronder is een zwevend mensfiguur.

13.39 uur
Hannover Hauptbahnhof. Geslapen. Vier stations gemist.

Links door spleten in de horizontale perronoverkapping zie ik drie monumentale daklijsten van zeer oude gebouwen, plaatselijk zwartgeblakerde bruinoranje zandsteen. Rechts door het andere raam dwars over de perrons heen: uitsluitend streepjes, stokjes en staafjes. Ze steken de diepte in, gaan van links naar rechts en andersom. Nergens voegen ze zich samen tot kruisjes.

Het is benauwd in de trein. Zwaar bewolkt buiten. Geen zon, wel de warmte.

13.47 uur
In de verte: een industriegebouw. Grijs beton. Soort burcht met ophaalbrug in omtrek. Lijkt erg op een van mijn gesloopte camerahuizen. Een rechthoekige opening in het midden; groot gat met slagschaduw, links en rechts ronde vestingtorens met getrapte lijst.

13.50 uur
Rechts twee tegeneen gebouwde loodsen. Laag, niet groot. Het voorste gebouw een knalgroen glad dak met een stompe hoek. Het groen is mos. Een stukje daklijst ook zo. Het mos werkt haast fluoriserend. Daaronder de buitenmuur in een somber mosgroen opgeschilderd; erg mooi tegen elkaar. Daarin onregelmatig geplaatst: een enkele deur en raam in een helder witte omlijsting. De loods links in een iets ander groen, meer naar oker, warmer. Het dak: het donkerder groen van de gevel van het rechterdeel.

13.54 uur
Dit alles op te schrijven terwijl links en rechts het uitzicht voorbij raast, – kilometers verderop ligt. Ik raak achterop met wat ik registreer. Het is niet na te zien. Maar onderwijl ik kijk lijkt het beeld dat ik opneem even stil te hangen, totdat mijn ogen meeschieten met wat dichtbij is en langs het raam strepen trekt in de snelheid van de voortgaande trein.

13.59 uur
Peine voorbij. Fijne plaatsnaam.

14.10 uur
Kort voor Braunschweig. Naar het toilet, dan toch maar, want meestal te vies om binnen te gaan in internationale treinen. Verbazing bij het betreden. Een geheel lichtblauwe kunststof cel met aluminium raam, dubbele spiegel, een niet-roken-sticker en een asbak. Het blauw zo blauw als mijn blousje. Een onvermijdelijk zelfportret. Rechtstreeks op polaroid. Uit en in mijn schoudertas.

14.22 uur
Weer een bierman. Een keurige wrang kijkende. Twee blikjes in de hand geklemd voor de borst. Al het bier komt achter uit de trein aangelopen. Daar zal het Bistro Café wel zijn.

Braunschweig Hauptbahnhof. Het spoor ligt op beton. Geen bielzen. Wat betekent die plaatsnaam eigenlijk? Braunschweig klinkt als een vertaalbaar woord met een betekenis. Als een zelfstandig naamwoord dat de afgeleide is van een werkwoord. Zoals omgekeerd geredeneerd ‘bielzen’ van hierboven een werkwoord zou kunnen zijn. Maar dan wel een onmogelijk en dierlijk woord. Braunschweig is zoiets als een ‘stofzuig’.

 

13.50 uur
Een donkergroen veld met dieprode vlekken erin. Klaprozen. De kleuren van de kaart van de tentoonstelling ‘über bau’ bij Wohnmaschine. Niet diagonaal gescheiden maar overzichtelijk gemengd. Het groen overheerst. Om het veld heen: andere soorten velden. Grauw, zanderig. Moestuinen met bonestaken.

Vraag me af of straks in Berlin Zoologischer Garten ik eerst Friedrich Loock zal herkennen of hij mij. ‘Sie erkennen mich als langen schlanken Typen mit Brille und ganz kurzen Haaren’, schreef hij in zijn fax.

15.19 uur
Magdeburg Hauptbahnhof.

Een tiental meters verderop staat aan de kop van een dood spoor een blauwe cabine op een schuine kolom die het ding draagt en gevaarlijk ver voorover laat hellen. Het bovenbouwsel steekt zo ver uit dat het over de zwaartekracht heen getild lijkt. Een smal veelhoekig torenkamertje, ramen rondom. De kolom is tevens de toegang ertoe: een hoge steile trap. Een meter of zes de lucht in. Het is me onduidelijk waartoe het bouwsel dient. Het lijkt op de cabine van een hijskraan, maar dan groter. Helt over het spooreinde heen. Op een kleine afstand ervandaan staat het skelet van een hangartje op hoge poten over de rails. Drie ribben in kruisverband aan elkaar gelast. Ook blauw. Buiten gebruik. Struiken staan in het grind tussen de rails.

15.55 uur
In Brandenburg is de stationsoverkapping van donker grenen. Vlammend hout. Brandbaar.

16.15 uur
Na Potsdam Stadt is het uitzicht ineens uitsluitend stads. Geen eindeloze groene landschappen meer, geen bossen.

Dat dacht ik maar. Ik kijk op en heel het raam is gevuld met bos. Woudgroen. Heel ver daar doorheen een glimp van een flatgebouw. Berlijn nabij.

16.31 uur
Aankomst met een kwartier vertraging. Friedrich leunt met gestrekte benen op zijn elleboog tegen de infostand in de centrale hal. Zijn bruine corduroy pantalon is overdwars geribt. Hij draagt een oranje bloes en een oud horloge. We reizen zwart met de S-Bahn, dwars door Berlijn naar de Oranienburger Straße. Voormalig oost. Heel gemoedelijk.

In zijn huis, een appartement één hoog op de hoek van de Tucholskystraße met de Auguststraße logeer ik. Tussen hoog opgetaste werken in stock, een grote Biedermeier secretaire en stapels kunsttijdschriften. Alle huizen -zo blijkt- hebben hier dubbele ramen. Ramen naar binnen en ramen naar buiten. De smalle ruimte ertussen ontroert me. Het is veel meer ‘venster’ dan enkel glas.

We lopen naar de Gipsstraße, naar de ‘Wohnmaschine’. De opening is al begonnen, eerder in de middag. Dat geldt voor alle galeriën in de omtrek van Berlin-Mitte, er is ‘Rundgang’ en het loopt vol. Voor ik rond ga zal ik eerst mijn werk bekijken, het nieuwe uitpakken en op slappe benen Duits spreken. Ben aan het eind van de dag nog maar net in Berlijn. Maak in de avond en de komende ochtend een week mee.

 

Berlijn > Arnhem

 

21 06 98

16.23 uur
Zit in de IR 2340 Wesertal naar Schiphol. Korte stop in Brandenburg. Een pet waar twee lintjes uit komen op het hoofd van een jongen in uniform. Hij is net uitgestapt. Loopt onder het bord ‘Ausgang’ door. Het is een echte matroos. Een Dick Bruna-matroos. Over zijn schouders hangt over het witte gesteven overhemd een rechthoekig blauw boord af met dunne witte strepen langs de rand. Die flap op zijn rug maakt het uniform aandoenlijk kinderlijk. Daarover werpt hij nu zijn plunjezak. Een grote legergroene canvas koker met gouden zeilringen. Loodzwaar.

16.34 uur
Ik rijd wederom achteruit. De heenreis zat ik ook met mijn rug naar de eindbestemming. Zo zie ik niets aankomen. Alles verglijdt in de verte voor me met de snelheid die de trein verplaatst. We rijden nu heel langzaam. Ik hoor een naderende trein. Het raam loopt vol met een rood geprofileerd vlak; een locomotief. Achtereenvolgens blauw, heel lang blauw. De ramen schieten zo snel voorbij dat er in het langstrekkende blauw een raamsilouet stil blijft zweven in mijn uitzicht. Daardoor kan ik door de passerende trein uitkijken op het vage uitzicht daarvandaan. Af en toe verschiet de ondergrond van het treinvenster van kleur: een afwijkend tussengekoppeld treinstel in wit met groene bovenstrook neemt het blauw kort over. Het raam erin blijft stabiel. Het blauw komt nog even terug, en is dan abrupt op. Voorbij. Het geluid ook.

Heb niet meer kunnen schrijven vanochtend. Ben nu te moe. Geen verblijfsverhaal in dit boekje, alleen een reisverslag. Voor de terugreis is dat meer een slaapverslag met nu en dan een uitzicht. Verstoord door walkmans en bierende mannen. Het zijn er veel meer dan tijdens de heenreis.

18.27 uur
Een lange donkere trein op een rangeerterrein. Stuk of zes groene wagons, een aantal blauwgroene en een paar woudgroene. Alle ramen zijn afgesloten door witte neergelaten rolluiken. Groot contrast. Eén luik in een van de voorste treinstellen is half opgetrokken. Er hangt een verbleekt oranje gordijntje achter. Voor de trein staat iets verderop een gesloten container in precies dat soort oranje. Trein en container staan in een oase van rails en roestig grind.

18.29 uur
Ik zie opnieuw de dubbele lage loods! Nu vanuit de andere richting, totaal onverwacht: ik zie op uit mijn schrift, en dan is ’ie er ineens weer, vol in beeld. Prachtig. Het voorste dak is zwart. Heb ik dat wel goed gezien gisteren?

18.45 uur
Kort na Hannover. Een groot oud wit woonblok langs het spoor. Over bijna de hele breedte van het pand ligt een puntdak in de lengterichting van de gevel, op de kop links en rechts een dak dwars ertegenin. De gevel is links een meter of twee verhoogd over de breedte van dat dwarse dak. Het is een verhoogde zolderkamer. In het driehoekig gevelstuk onder de kap is in het midden een vierkant raam geplaatst. Het hele dak is bedekt met bruinrode pannen. Wonderlijk genoeg is ook het verhoogde gevelstukje waar de driehoek op staat ermee bedekt, het raam erin uitgespaard. Vertikale dakpannen! Lijkt of ze zo naar beneden zullen storten. Eronder staat een steiger tegen het huis. Maar die reikt niet tot de dakgoot.

20.34 uur
Ik word de trein uitgezet. Een goedbedoelde waarschuwing opdat ik niet zal achterblijven in Bad Bentheim. Deze wagon wordt afgekoppeld. Bij mijn overstap loop ik bijna de hele trein door. Tot ik de koffiebar bereik. Kaffee mit Kuchen. Daarmee en met mijn bagage moet ik opnieuw een plaats vinden. Het bevalt me niets mijn andere na al die uren zitten en suffen te hebben verlaten. Ga vanzelf weer achteruit zitten. Helaas tegenover een geblondeerde nieuwsgierige vrouw die zo te zien voor vertrek dagen onder een zonnehemel heeft gelegen. Het bruin valt er bijna vanaf, zo zwaar ziet het eruit. Een diep uitgesneden gele zomerjurk moet alles bijeen houden. Met haar ogen eet ze mijn Kuchen op. Dan spreekt ze me boos en in Duits aan, verwijtend dat in Amsterdam alle restaurants wel gesloten zullen zijn na negenen. Of ik haar niet kan uitleggen waar ze dan nog zou kunnen eten, als ze tegen elven aankomt. Ik heb er geen zin in. Probeer wat te lezen. Wil naar huis. De koffie is waterig. Plakkerige hitte in de trein. Een extreem warme dag. Bier zou me nu smaken als ik bier zou drinken, maar ik lust het niet. Toen ik door de eerste klas liep net, bracht dat verkoeling: daar is airconditioning. Hier is geen luchtverversing. Alleen zure lucht.

Ben opgelucht als ik Deventer herken. Hetzelfde perron waar ik een dag eerder van opstapte. Daar stap ik uit. Die vorige dag lijkt veel langer geleden. Het is niet ver meer nu, tot Arnhem.

22.22 uur
Mijn fiets staat er nog. Ik stap op alsof ik net voor iets kleins even van huis ben gegaan. Toch heb ik in twee dagen twee keer zeven uur achtereen per trein gereisd. Arnhem is er kleiner op geworden, na Berlijn. De vergelijking is onmogelijk natuurlijk tussen wereldstad en provincieplaats.

Ik fiets in frisse avondlucht. Naar de snackbar. Een roodwit geruite papieren zak met meeneemeten in de ene hand, de andere aan het stuur. In huis de vette frietlucht aangevuld met een fijn glas rode wijn. Neem me voor deze week het bord buiten te fotograferen. Fietste er weer onderdoor, ‘situatie gewijzigd’.

 

Situatie gewijzigd

 

N.S.

Vanochtend, een dinsdag een week nadien, ontdek ik voor ik de Prins Hendrikstraat nietsvermoedend wil in-slaan dat het bord weg is, en vervangen door een lelijke plastic plaat waarop de gewijzigde situatie is uitgetekend. Alle verkeer mag niet langer linksaf, kan niet terug, alleen vooruit; rechtdoor. Het was me nog niet opgevallen.

‘Situatie gewijzigd’ is onomkeerbaar gewijzigd. Er is geen weg terug, geen polaroid.

Het moet verwijderd zijn in de periode dat ik het atelier boven veranderde. Prakkezeerde al voor Berlijn over een nieuwe indeling. Om het hoofd en de ruimte vrij te maken voor nieuw werk. Bij uitzondering heb ik toen eerst mijn werk opengebroken en het atelier later. Nu is vijf meter bureau verplaatst en vier maal vier vierkante meter loopruimte gewonnen. Zo staat de werkwand centraal in een werkelijke groothoek. In de statieflamp wordt die groothoek nog eens gekeerd. Het werkvertrek kent vele vluchtpunten. Ik ben er weer thuis. Op een andere plek aan mijn bureau. Voor de verandering.

 

 

 

Inhoud

11
Arnhem > Berlijn

45
Berlijn > Arnhem

53
Situatie gewijzigd

 

Polaroids:

p.15
polaroid, 20 06 98 / 01
Deventer, stationsrestauratie
10.25 uur

p.17
polaroid, 20 06 98 / 02
Deventer, perron 3/4 vanuit wachtkamer 3e klasse

p. 19
polaroid, 20 06 98 / 03
Bad Bentheim

p. 23
polaroid, 20 06 98 / 04
Hannover Hbf

p.25
polaroid, 20 06 98 / 05
zelfportret, DB–WC

p. 29
polaroid, 20 06 98 / 06
Berlijn, Gipsstraße, zijgevel Wohnmaschine

p. 31
polaroid, 20 06 98 / 07
Berlijn, Kleine Hamburgerstraße 15, trappenhuis

p. 33
polaroid, 21 06 98 / 08
Berlijn, Tucholskystraße, trappenhuis

p. 35
polaroid, 21 06 98 / 09
Berlijn, Tucholskystraße, raam in trappenhuis

p.37
polaroid, 21 06 98 / 10
Berlijn, Tucholskystraße, woning Friedrich Loock

p. 39
polaroid, 21 06 98 / 11
Berlijn, Potsdamer Platz, bouwput

p. 41
polaroid, 21 06 98 / 12
Berlijn, S-Bahn, vloer metrowagon

p. 47
polaroid, 21 06 98 / 13
Potsdam Stadt

p. 55
polaroid, 30 06 98 / 14
zelfportret atelier, situatie gewijzigd

back to previous page