![]() |
Situatie gewijzigd Arnhem > < Berlijn reisverslag in tekst en polaroids
Arnhem > Berlijn
20 06 98 Vanochtend ging ik naar bed. Tegen half vijf. Ik schrok van de vogels buiten. Hoorde in de keuken ineens de merels en de mussen hun zang inzetten. Achter het gordijn werd het al licht. Heel snel ben ik gaan douchen en slapen. Ik lag nog geen vijf minuten in bed en de merels verstomden. Het gekwetter was klaar. Ik sliep in de schemer van de komende ochtend tot acht uur. Diep en moe en opgelucht. Voor de schuifdeuren mijn uitrusting voor vertrek klaargelegd. Rode rugzak, bruine koffer, grijze tekenkoker. Alles voor twee dagen. — Op de fiets passeer ik nog geen dertig meter van huis het gele verkeersbord met het magische opschrift ‘situatie gewijzigd’ dat er sinds een week of wat ineens is. Geen tijd voor een polaroid van die situatie; het bord aan de lantaarnpaal, de aanwijzing zonder verklaring. Al wil en vergeet ik de foto steeds weer. Het bord blijft, ik vertrek. Met de binnenlandse sneltrein richting Zwolle twaalf na negen van spoor 3, centraal station Arnhem. — 9.49 uur Stationsrestauratie Deventer. Drie kwartier hier te zitten. Wachtend op mijn overstap. Het is meer dan werkelijk: zo ongewoon zijn de klandizie en de bediening bij elkaar. Er komen weinig mensen binnen. Toch stroomt het langzaam vol. Mijn koffie mocht ik niet aan de bar bestellen. Dan moest ik ’m buiten opdrinken. De serveerster zou mij komen bedienen wanneer ik mij aan een tafeltje zou zetten. Zonder de officiële bestelling werd een dienblaadje met daarop een kopje koffie, Lotus-koekje, suikerzakje (zo’n staafvormig) en een melkkannetje vanaf de tafelrand op mij toegeschoven, precies middenvoor. ‘Tweeguldenvijfenzeventig’, dat was haar tekst. Bij iedereen sprak ze die uit in de buurt van de tafel, niet tot de klant, en liep gelijk door zonder te wachten. Niet terug, maar helemaal rond. Ik legde het bedrag gepast op tafel en het verdween wat later met eenzelfde schuivende beweging in een handomdraai in haar schort. Ik zit niet aan het raam. Op het vrije tafeltje aan het raam staat een emmer met sop en huishoudhandschoenen over de rand. Ik ben ertegenover gaan zitten, rechts van het midden. Het is een langwerpige restauratieruimte. Vier rijen tafeltjes met middenberm. Lage glazen afscheiding met ‘groen’ (plantjes of plastic). Een entree aan beide perrons: een halletje in glanzend hout dat uitkomt op een dwarse hal die de dienstingang van de voorgelegen snackbar met de wachtruimte hier verbindt. Alle deuren staan open. Voor ik hier ging zitten ben ik daardoor de ruimte en het perron overgestoken. Meer mensen doen dat. Ze kijken links, rechts, links: net als op straat, en steken over. Of lopen in, voor een consumptie. — Er zitten een vrouw en een oudere vrouw aan het tafeltje achter dat met de emmer bij het raam langs perron 3. Te wachten op hun bestelling. Moeder en dochter denk ik. Ze vertonen meer gelijkenis dan verschil. Het verschil is de leeftijd, hun haarkleur. De oudere vrouw heeft het zwart geverfd. De andere draagt het donkerbruin, haar eigen kleur denk ik. Beide zijn opgemaakt: mascara, rouge, te hard. Ze hebben nog niet gesproken. Vanaf het moment dat hun koffie met appelbroodje in tweevoud kwam heb ik ze zien eten. Met mes en vork. Servet op schoot. Heel geconcentreerd. Maar ook afwezig. De onopgegeten helft van de dochter werd zwijgend door de moeder opgepeuzeld. Ze lijkt sprekend op een personage uit de Benny-Hill-show. Klein priemend gezicht, zwarte kraalogen. Een beetje krom gegroeid zit ze over het bordje inelkaargedoken aan het raam. Een man maakt zijn entree. Hij komt van links op. Lijkt aanvankelijk een NS-medewerker. Dat zijn zijn kleuren, zijn kleding; een uniform. Kobalt blauw colbert, kanariegeel overhemd en een kobaltblauwe das met fantastische paaseieren in verschillende maten in metallic kleuren daarover verspreid. Op zijn hoofd een zwarte glimmende pruik die hij voorzichtig bevoelt als hij gaat zitten, aan het eerste tafeltje, meteen om de hoek van de ingang. Hij rookt een knalgele sigaret met gouden mondstuk. Hij bestelt. Zijn scheiding zit in verhouding tot zijn gezicht aan de verkeerde kant. Het is zo’n playmobiel-dopje, dat haar. Hele gladde lokken, zo groot en plat dat ik ze bijna kan tellen. Ik moet me beheersen niet te lang te kijken. Hij blijft zijn haarstuk betasten, steekt nog een sigaret op en een vinger voor een tweede koffie. — Barbra Streisand draait weer. De oudere vrouw draagt witte wollen sokken in haar zwarte sandalen. De schoenen hebben een grote glimmende neus en brede hoge hakken, ook hoogglans. Playmobiel stapt op. De stoptrein naar Zwolle loopt binnen op spoor 4, – de perronzijde van zijn tafelrij achter de middenberm. Een luidruchtig damesgezelschap heeft zich aan die kant druppelsgewijs verzameld. Leeftijd veertig tot zestig stelt zich stijfjes aan elkaar voor. Iedereen koffie met een koekje op een dienblaadje. De supermarktdisco speelt nu. Zonder die tijdloze atmosfeer van zoëven: het wezenloze is verdwenen door de drukte. Moeder en dochter stappen op. Achter elkaar vormen ze een kleine rij, zo lopen ze rechts perron 3 op. — Ik zie omhoog. Waar ik het plafond verwacht is een verhoogde kap op het gebouwtje geplaatst. Rondom geruite ramen met zes vakjes. Twee breed, drie hoog. Vier naast elkaar op de kop. Daarop het dak. Gietijzer met plaatmateriaal in een prachtig zwaar blauw. Ik maak een polaroid. — Achter de restauratie ontdek ik een wachtkamer ‘derde klasse’. Daarachter een lang aan weerszijden open overdekt perron, bijna twee keer de lengte van de koffiekamer. Ook hier een verhoogde kap. Twee rode deuren op het eind eronder. Een tweede foto, gehaast: de trein is in aantocht, en de cassette in mijn camera leeg. De IR 2343 Havelsee met Bistro Café aan boord staat klaar. Van Schiphol gekomen, rijdt rechtstreeks door tot Berlijn. Ik stap in. Met de twee zwijgende appelbroodjesvrouwen. — 11.03 uur Hier is alles geel. In de overkapping twee smalle stroken geel gebobbeld glas tussen het blanke. Bewegwijzering op gele ondergrond. Voor mijn raam een zenuwachtige NS-medewerker in een bleekgeel overhemd. Ik kijk over zijn schouder. Hij kijkt mij aan. Schuin achter hem een man met kind op de arm in een trapgat afdalend. Ze zijn samen oker-oranje-geel gekleed. In Deventer stak iemand de entree recht over van de restauratie waar ik verbleef. Ook die kleuren. De wandbekleding van het treininterieur waar de ruit waardoor ik zie in is gevat in een lichtgrijze rubberband is ook al geel. Het is een geel dat wel erg okerig is tegenover dat harde Hollandse van de NS. Nu de trein weer rijdt lijkt het zijn eigen geel te hervinden. Er staat niets meer tegenover. Geen contrast. — 11.16 uur — 11.20 uur — 11.30 uur — 11.37 uur — 11.40 uur — 11.45 uur — 11.50 uur Een dubbele loods, niet ver van elkaar twee keer hetzelfde gebouw. De hele voorgevel een open rechthoek, breed donker gat. Helemaal leeg is de hal voor zover ik erin kan zien. In de achterwand een regelmatig raster van kleine vierkante lichtpuntjes: een door raampjes geperforeerde gevel. Boven de ingang van de linker loods aan de spoorzijde over de hele breedte ruim gespatieerd de bedrijfsnaam in forse letters: e i s h e n b u s h. Op het puntvormig dak in de lengte-as staan ze ook: mooie zwaar verdikte hoekige letters met afgeronde contouren. Zodra de trein weer rijdt reizen we ook. Klinkt het zo. De rails, de luchtdrukgeluiden, de schokdempers, snerpende luchtsuizingen langs het open raam. — Kort na Bad Bentheim zag ik een groot gebouw links uit het raam, drie, vier verdiepingen hoog, in een soort Duitse Amsterdamse School-stijl. Massa’s kleine liggende ruitjes in stroken over de gevel, onderbroken door brede baksteenvlakken. Alle ruitjes waren duidelijk bol. Boller dan lenzen. Een glaswand zoals die me voor ogen staat in het te bouwen observatorium. — 11.51 uur Bruine loodsen vormen de omtrek van een grijsbruine betonnen binnenplaats, vol met grote knaloranje opleggers, vrachtauto’s met losse laadbakken, kriskras verspreid. Opmerkelijk dat ik telkens zulke kleuruitsneden zie. Alles is geselecteerd op kleur deze dag. In elk beeld dat ik opneem is dat consequent aanwezig. Wonderlijk. En erg mooi. — 12.00 uur — 12.26 uur Buiten: een parachutist, zojuist gesprongen uit het vliegtuigje dat er nog kort boven vliegt. Ik kijk op uit mijn vrijdagkrant en zie dat. Precies het moment na de sprong, de parachute ontrolt zich. De baleinen spannen. Het poppetje eronder is een zwevend mensfiguur. — 13.39 uur Links door spleten in de horizontale perronoverkapping zie ik drie monumentale daklijsten van zeer oude gebouwen, plaatselijk zwartgeblakerde bruinoranje zandsteen. Rechts door het andere raam dwars over de perrons heen: uitsluitend streepjes, stokjes en staafjes. Ze steken de diepte in, gaan van links naar rechts en andersom. Nergens voegen ze zich samen tot kruisjes. — Het is benauwd in de trein. Zwaar bewolkt buiten. Geen zon, wel de warmte. — 13.47 uur — 13.50 uur — 13.54 uur — 13.59 uur — 14.10 uur — 14.22 uur Braunschweig Hauptbahnhof. Het spoor ligt op beton. Geen bielzen. Wat betekent die plaatsnaam eigenlijk? Braunschweig klinkt als een vertaalbaar woord met een betekenis. Als een zelfstandig naamwoord dat de afgeleide is van een werkwoord. Zoals omgekeerd geredeneerd ‘bielzen’ van hierboven een werkwoord zou kunnen zijn. Maar dan wel een onmogelijk en dierlijk woord. Braunschweig is zoiets als een ‘stofzuig’.
13.50 uur Vraag me af of straks in Berlin Zoologischer Garten ik eerst Friedrich Loock zal herkennen of hij mij. ‘Sie erkennen mich als langen schlanken Typen mit Brille und ganz kurzen Haaren’, schreef hij in zijn fax. — 15.19 uur Een tiental meters verderop staat aan de kop van een dood spoor een blauwe cabine op een schuine kolom die het ding draagt en gevaarlijk ver voorover laat hellen. Het bovenbouwsel steekt zo ver uit dat het over de zwaartekracht heen getild lijkt. Een smal veelhoekig torenkamertje, ramen rondom. De kolom is tevens de toegang ertoe: een hoge steile trap. Een meter of zes de lucht in. Het is me onduidelijk waartoe het bouwsel dient. Het lijkt op de cabine van een hijskraan, maar dan groter. Helt over het spooreinde heen. Op een kleine afstand ervandaan staat het skelet van een hangartje op hoge poten over de rails. Drie ribben in kruisverband aan elkaar gelast. Ook blauw. Buiten gebruik. Struiken staan in het grind tussen de rails. — 15.55 uur — 16.15 uur Dat dacht ik maar. Ik kijk op en heel het raam is gevuld met bos. Woudgroen. Heel ver daar doorheen een glimp van een flatgebouw. Berlijn nabij. — 16.31 uur — In zijn huis, een appartement één hoog op de hoek van de Tucholskystraße met de Auguststraße logeer ik. Tussen hoog opgetaste werken in stock, een grote Biedermeier secretaire en stapels kunsttijdschriften. Alle huizen -zo blijkt- hebben hier dubbele ramen. Ramen naar binnen en ramen naar buiten. De smalle ruimte ertussen ontroert me. Het is veel meer ‘venster’ dan enkel glas. — We lopen naar de Gipsstraße, naar de ‘Wohnmaschine’. De opening is al begonnen, eerder in de middag. Dat geldt voor alle galeriën in de omtrek van Berlin-Mitte, er is ‘Rundgang’ en het loopt vol. Voor ik rond ga zal ik eerst mijn werk bekijken, het nieuwe uitpakken en op slappe benen Duits spreken. Ben aan het eind van de dag nog maar net in Berlijn. Maak in de avond en de komende ochtend een week mee. —
Berlijn > Arnhem
21 06 98 16.23 uur — 16.34 uur — Heb niet meer kunnen schrijven vanochtend. Ben nu te moe. Geen verblijfsverhaal in dit boekje, alleen een reisverslag. Voor de terugreis is dat meer een slaapverslag met nu en dan een uitzicht. Verstoord door walkmans en bierende mannen. Het zijn er veel meer dan tijdens de heenreis. — 18.27 uur — 18.29 uur — 18.45 uur — 20.34 uur Ben opgelucht als ik Deventer herken. Hetzelfde perron waar ik een dag eerder van opstapte. Daar stap ik uit. Die vorige dag lijkt veel langer geleden. Het is niet ver meer nu, tot Arnhem. — 22.22 uur Ik fiets in frisse avondlucht. Naar de snackbar. Een roodwit geruite papieren zak met meeneemeten in de ene hand, de andere aan het stuur. In huis de vette frietlucht aangevuld met een fijn glas rode wijn. Neem me voor deze week het bord buiten te fotograferen. Fietste er weer onderdoor, ‘situatie gewijzigd’. —
Situatie gewijzigd
N.S. ‘Situatie gewijzigd’ is onomkeerbaar gewijzigd. Er is geen weg terug, geen polaroid. Het moet verwijderd zijn in de periode dat ik het atelier boven veranderde. Prakkezeerde al voor Berlijn over een nieuwe indeling. Om het hoofd en de ruimte vrij te maken voor nieuw werk. Bij uitzondering heb ik toen eerst mijn werk opengebroken en het atelier later. Nu is vijf meter bureau verplaatst en vier maal vier vierkante meter loopruimte gewonnen. Zo staat de werkwand centraal in een werkelijke groothoek. In de statieflamp wordt die groothoek nog eens gekeerd. Het werkvertrek kent vele vluchtpunten. Ik ben er weer thuis. Op een andere plek aan mijn bureau. Voor de verandering.
•
Inhoud 11 45 53
Polaroids: p.15 p.17 p. 19 p. 23 p.25 p. 29 p. 31 p. 33 p. 35 p.37 p. 39 p. 41 p. 47 p. 55 |
|||||