MIRJAM KUITENBROUWER

Toelichting op mijn werk

een beschrijving van mijn inhoudelijke en artistieke uitgangspunten en hoe die tot uitdrukking komen in mijn werk

Italo Calvino schreef ‘dat het ik iemand is die achter zijn eigen ogen staat als achter een raam en naar de wereld kijkt die zich in al haar wijdsheid voor hem uitstrekt. Aan die kant is de wereld; en aan deze kant? Nog steeds de wereld: wat zou er anders moeten zijn?’ (Palomar, Bert Bakker, 1985, p. 103)

Het verbonden zijn met wat je ziet en er tegelijkertijd onherroepelijk van gescheiden zijn is een terugkerend thema in mijn werk, dat is op te vatten als een analytisch en associatief onderzoek naar de analogie tussen oog en raam, en tussen camera en kamer. Door het op elkaar betrekken van waarnemen en wonen, van architectuur en bewustzijn en van rechtstreekse en instrumentele waarneming, houd ik mij voortdurend op in een overgangsgebied dat je het centrum van de belevingsruimte zou kunnen noemen. Het is zowel een fysieke als een mentale ruimte. Wat we in werkelijkheid zien is altijd een synthese van verschillende gezichtspunten door de voortdurende beweging van onze blik. ‘De waarnemer besmet dat wat hij waarneemt met zijn eigen beweeglijkheid’, schreef Samuel Beckett. Er is geen objectieve werkelijkheid, er is alleen een werkelijkheid die zich opbouwt uit zintuiglijke indrukken waaraan zich gevoelens, stemmingen en herinneringen vasthechten. Die veranderlijkheid binnen de waarneming ligt ten grondslag aan al mijn werk.

Ik speel met de waarneming door verdubbeling, spiegeling en verschuiving van perspectief. Camera’s, lenzen, rasters, filters en ook ramen en deuren zijn daarbij mijn instrumenten. Het gaat steeds om het toegankelijk maken van een stukje van de wereld, zodat het zien van iets ook tot de ervaring van een inzicht kan leiden en er een wisselwerking ontstaat tussen werkelijkheid en bewustzijn: het fysieke en het psychische zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. 

Vrijwel alles wat ik maak komt voort uit het ordenen van verzamelde indrukken, van voorwerpen en onderdelen, van citaten uit boeken en aantekeningen. De wereld is voor mij een gigantisch memoryspel. Het gaat steeds om de vergelijking, de associatie tussen verschillende fragmenten, en vervolgens om de vereniging daarvan. In je hoofd worden die fragmenten moeiteloos samengevoegd tot een geheel, maar dat beeld is niet vanzelfsprekend; in het werk wordt dat verband geforceerd door de manier waarop de delen een positie en omgeving worden toebedeeld, zodat je steeds kunt spreken van een constructie. Die constructie moet zo goed mogelijk in elkaar zitten. Dat komt letterlijk neer op een hoop schuur- en slijpwerk. 

Er is een grote overeenkomst tussen de manier waarop ik tekstfragmenten selecteer, de fragmenten voor het ruimtelijke werk behandel en de manier waarop ik foto’s bewerk. Het is een methode van insluiten en openleggen. Ik maak het geselecteerde fragment los uit z’n oorspronkelijke verband en haal vervolgens alles weg wat er niet toe doet. Daarop volgt het omgekeerde proces, van detail naar geheel, zoals bijvoorbeeld in de installatie Proefopstelling (2010), waarin ik een fragment van mijn uitzicht tot een wereld heb uitgebouwd. Daarin gebruikte ik ook het raam met het raster van talrijke rechthoekige vergrootglazen dat ik voor de tentoonstelling ‘One-way mirror’ (2009) bouwde. Dat raam is als een facettenoog op de wereld gericht en vermenigvuldigt het zicht op een detail daaruit. Maar ook iedere afzonderlijke lens daarbinnen geeft een totaalbeeld. Deze vermenigvuldiging van de blik en de perspectivische omkeringen van groot en klein vind je behalve op visueel gebied ook in de literatuur terug. De Franse filosoof Gaston Bachelard heeft in zijn werk ‘La poétique de l’espace’ een hoofdstuk gewijd aan de miniatuur, waar hij aan de hand van de fenomenologie schrijft over ‘de vergrotende blik’. ‘De miniatuur ontplooit zich ter grootte van een universum. Het grote (…) ligt in het kleine besloten. Een loep pakken wil zeggen opletten, maar is aandacht zelf al niet een loep? (…) De paradox is dat als je in de miniatuur leeft je in een kleine ruimte grote bewegingsvrijheid krijgt.’

In de installatie ‘Recursiekamer - Verenigde Uitzichten in een Kluizenaar met een Balkon voor Introspectie (2011-12) is dit principe heel radicaal doorgevoerd. Het is een kleine kamer waarbinnen met minimale middelen een complete leefwereld is opgezet als een uitdijend heelal. Er is een groot raam en een klein balkon, maar wat je door dat raam van de buitenwereld waarneemt is van A tot Z een projectie van het binnen op het buiten, een constructie.

 

Mirjam Kuitenbrouwer, februari 2012

back to previous page
back to previous page